zondag 1 november 2015

Raft

Ik ging raften. Niet dat het ooit mijn bedoeling was geweest, maar de rust die ik tijdens vakanties zo nodig heb, verlangde, paradoxaal genoeg, dit aanzienlijke offer van mij.  Echtgenote, zoon en ik waren in Noorwegen en volgens zoon moest er toch tenminste één woeste stroom worden bedwongen anders dan via een brug eroverheen. Maar daar waar ik de spanning op televisie, met een bak chips en een goeie triple in het glas, geenszins schuw, is elk avontuur met mijzelf in de hoofdrol een volstrekt andere zaak. Geen probleem, zo dacht ik, zoon wil raften, ik niet, en toevertrouwd aan een ervaren kapitein zou ik tijdens zijn tocht een boek kunnen lezen. De eisen die de Noren aan een dergelijk waagstuk stelden, waren echter streng: zoon was te jong; deelname onmogelijk. Diepe teleurstelling die zich uitte in een begrijpelijke opstandigheid tegen de Noorse overheid, dreigde al na drie dagen de rest van onze vakantie te beïnvloeden, tot wij tot ons grote genoegen bij een camping het bordje zagen waarop een familieraft werd aangeboden. Overigens viel het grote genoegen slechts zoon en echtgenote ten deel. Zoon, omdat zijn wens nu uitkwam, en echtgenote omdat ze blij was voor zoon, zoals een moeder dat altijd is. Maar, zo benadrukte ze meteen: ‘Ik ga niet mee.’ En dus was Jan Lul toch de klos.
Na de koffie meldden wij ons bij de op de camping gevestigde organisator van het evenement, en met ons diverse gezinnen en families, allemaal Noors en allemaal tot in de vezels gemotiveerd. De staf bestond uit louter jonge mannen en vrouwen, nog veel enthousiaster dan de deelnemers, die in een snelle rekensom concludeerden dat we die dag met drie rafts op pad gingen. Voor de leek: een raft is een rubberboot zonder motor, maar eentje die, voortgestuwd door de woeste stromen van in dit geval de Driwa, dapper weerstand biedt tegen de vele her en der opduikende puntige rotsen. Ik bekeek de stroming van de rivier en besefte dat het een reis vol uitdagingen zou worden. Te beginnen met het wetsuit. Mijn embonpoint werd door geoefende ogen gekoppeld aan een pak dat, naar mijn stellige overtuiging minstens vijf maten te klein was. Pas nadat ik drie keer om genade had gesmeekt, werd mij duidelijk dat het toch echt de bedoeling was dat ik het ding aan moest zien te krijgen. Ik zal verder niet ingaan op het proces dat volgde, maar wat opviel was dat de woorden die ik ter aanmoediging van mezelf gebruikte, wonderlijk genoeg prima werden begrepen door de Noren in mijn directe omgeving. Het enige verschil was dat zij lachten. Ha ha. Terwijl ik tevergeefs de ademhaling weer op gang probeerde te brengen, zag ik een van de meisjes die behoorde tot de raftstaf, achter het stuur van de bus plaatsnemen. Het was een forse bus met daarachter een nog forsere trailer met de rafts. Met haar blote voetjes op de pedalen reed ze de combinatie feilloos achteruit het bochtige terrein af. Als ik op dat moment al in staat zou zijn iets te zeggen, zou ik niet weten wat, maar mijn vertrouwen in de deskundigheid van de staf nam significant toe.
De tweede uitdaging, op de inscheepplek, bestond uit het bijhouden van mijn raftgenoten die, met raft, een steile rots afliepen met hetzelfde gemak als waarmee ik een scheet laat. De raft ging het water in en direct daarna volgde de uitgebreide instructie. In het Engels gelukkig; de kapitein was Canadees en was alle wereldrivieren wel een keer afgeraft. Mijn vertrouwen kon niet meer stuk en dus stapte ik met een gerust hart in. Vrijwel meteen maakten we vaart, botsten we tegen stenen, kliefden we watermassa’s en ontweken we de gevaarlijkste obstakels door te roeien als de bevelhebber het zei. Er was een rots die geleidelijk uit het water opkwam; wij gleden erop en konden even niet meer verder. Er was een stroomversnelling die ons allemaal door elkaar door de raft husselde, en er was een gemene rots. Onzichtbaar onder het wild stromende wateroppervlak. Er was een klap; de raft schoot omhoog waardoor ik het luchtruim koos en hulpeloos in het ondiepe en zeer sterk stromende ijskoude water van de Driwa terecht kwam. Ik had de instructies goed gehoord en bleef horizontaal drijven; proberen te gaan staan was levensgevaarlijk, zo was ons verteld. De kapitein gaf bevelen die mij weer in de nabijheid van de raft dirigeerden. Twee Noorse mannetjesputters grepen daarna mijn armen, trokken me aan boord en flikkerden me achteloos tussen de voeten van de anderen. Als een zalm in doodsnood, wetende dat hij binnenkort op een bord zal worden gelegd, en onmachtig om op te staan en mijn plaats weer in te nemen. Op dat moment besefte ik dat het beter was dat oude mannen dit soort kunstjes niet meer maakten. Niettemin ging het laatste traject zoals de bedoeling was. In een uur of twee waren we een team geworden en kende de Driwa geen geheimen meer voor ons. Maar de uitdagingen waren nog niet op. De volgende diende zich aan in de vorm van een sprong van een rots van pakweg drie meter hoog. Eenmaal in het water moesten wij ons laten meevoeren door de rivier zonder tussenkomst van een raft. Het kon me allemaal niets meer schelen; ik maakte mijzelf los van de rots, trok mijn knieën tegen mijn embonpoint en begon een fraaie achterwaartse salto. Daarna kwam een iets teleurstellende flickflack. De rest van het zweefmoment benutte ik om in positie te komen voor een ultiem bommetje. Het koude water van de Driwa spatte tot in de hemel; helaas nam de rivier in een moment van vergelding mij mijn zonnebril af, en voerde hem af naar een fjord in het westen van het land. Eigen schuld.
Na een mooie reis van een uurtje of twee, namen wij, zeiknat en stinkend naar rubberen wetsuits, plaats in de oude bus die ons weer naar de camping bracht. Daar wachtte de laatste uitdaging: het uittrekken van het wetsuit. Toen ik ermee begon waren er opvallend veel Noren in mijn directe nabijheid waar te nemen. Ze lachten allemaal. Ha ha. En dus was iedereen blij. De Noren omdat ze mij een wetsuit hadden zien aan- en uittrekken, zoon omdat hij had geraft, moeder omdat ze altijd blij is voor haar zoon, en ik was blij omdat het voorbij was.
En omdat we zalm aten.

zaterdag 31 oktober 2015

Babet

In de loop der tijden, heeft de mensheid reeds kunnen vaststellen dat schapen beschikken over diverse waardevolle kwaliteiten. Zo kunnen ze door de shoarma, maken ze een uniek geluid, voldoen ze aan de specificaties van grasmaaier, geven ze wol en zijn ze kalmerend als valeriaan, zodat je ze kunt tellen als je niet in slaap kunt komen. Daarnaast kun je er bij gelegenheid melk uit trekken, maar ik vind dat persoonlijk geen kwaliteit, slechts een te verwaarlozen bijkomstigheid. De lammetjes zijn schattig, veel te kort klein en hun boutjes zijn gewild bij een groot publiek. Vanwege al deze kwaliteiten is de vraag naar schapen groot en zijn er dientengevolge veel van. Begin mei was ik in Frankrijk. We bezochten er onze vrienden Anne en Olivier, die direct aan het Kanaal, La Manche, een prachtige boerderij met drie gîtes bewonen. Sinds de laatste keer dat wij hen bezochten, dik twee jaar terug, was er veel veranderd. Zo was er een winkeltje toegevoegd, waren er kippen en jazeker, waren er ook vier schapen op een daartoe ingericht en afgebakend erf gezet. Ze waren bruin, zaten ruim in de wol en hun verblijf. In het midden van dat verblijf had Olivier een schattig en uiterst functioneel huisje met ramen gebouwd, waar de vier bijeen konden worden gedreven als dat nodig was. Tot dusver ontbrak die noodzaak echter. Voor het huisje was een klein terreintje afgebakend met hekken op heuphoogte om de dieren de juiste kant, het huisje in, te dwingen. Toen wij op donderdagavond een gezamenlijke maaltijd genoten, vertelde Anne dat op vrijdag de schapenscheerder kwam. Onze vier evenhoevige vrienden moesten voor die tijd alleen nog even in hun hok, een denigrerende term voor het schattige huisje, worden gedaan. Ik duwde mijn borst vooruit, legde vaderlijk een hand op Annes schouder. ‘Geen probleem, meisje,’ zei ik. ‘Hoe laat verwacht je me?’
Op de afgesproken vijf voor tien, trof ik Olivier en vier bewegende permanentjes in het schapenverblijf aan. De schapen bleven keurig bijeen en wekten de keiharde illusie dat ze om uiterlijk tien uur netjes in hun huisje zouden hebben plaatsgenomen in warme verwachting van de scheerder. Ik liep in hun richting; de vier holden voor me uit. Ik liep achter ze aan en Olivier naderde tegelijkertijd vanuit de tegenovergestelde richting. Zij wisten te ontsnappen. Sneller en beweeglijker dan een bergbeekje en door het wolvet gladder dan een aal, vormden zij, aangevoerd door Babet, een front tegen het bevoegd gezag. Ze lachten ons uit en staken ons de gek aan. Na amper twee minuten besefte ik dat ik op donderdagavond tegenover Anne een iets te grote broek had aangetrokken. Dit kon nog wel eens een klusje gaan worden. Al snel bleek dat de hekken voor het hok, lager waren dan de springcapaciteit van de schapen. Als sprinkhanen zweefden ze eroverheen. Toen kreeg Olivier het enige mannetje te pakken. De enige ook met hoorns, dus goed te hanteren. Hij ging het hok in. Nog drie te gaan. Toen we na een half uur van onmenselijke arbeid uiteindelijk twee schapen in het hok hadden, hoorden we ineens een grote knal en zagen we het al opgesloten schaap in een fraai zweefmoment door het raam zeilen en met venster en al de vrijheid weer verkiezen. Ik werd wanhopig, maar tegelijkertijd piste ik in mijn broek van het lachen door wat ik net had zien gebeuren. Toen het elf uur was, vroeg ik Anne hoe laat de scheerder eigenlijk kwam. Ze vertelde dat ze de afspraak om tien uur had, maar er was nog geen schapenscheerder te zien. Die kwam na nog eens vijf minuten en al snel daarna kregen we nummer 3 en nummer 2 voor de tweede keer te pakken. Nu Babet nog.
Deze dame had mij een uur lang uitgedaagd. Ze speelde met me, maar het was genoeg. In een hoek van het veld gedreven, stond ze oog in oog met mij. Ze trilde in de wetenschap dat haar vluchtpogingen vanaf nu niet meer zouden baten. Ik keek haar indringend aan en zij mij. Jij bent van mij, liet ik haar weten. En Babet wist het. Ze wist dat het was gebeurd met haar. In een wanhopige laatste poging sprong ze weg en wilde me rechts passeren, ik wierp me op haar en greep me vast in haar vette krullen. Ze ontglipte me weer, ik kreeg geen grip. Machteloos besefte ik hoe ze zich uit mijn meedogenloze greep ontworstelde. En toen, net voordat Babet weer dreigde te ontsnappen, was er, net binnen de grenzen van mijn gezichtsveld, een donkere schicht. Het was Olivier die over me heen dook, zich op Babet stortte en zich als een teek ingroef in haar wol. Dat was nummer 4. De scheerder kon ook met Babet aan de slag. Nog geen tien minuten later zat ik, nog steeds hijgend, aan mijn eerste kop koffie van die dag en de scheerder aan een biertje. Er schoten allerlei rare gedachten door mijn hoofd, bijvoorbeeld dat ik nu wist waarom boer Jan op Texel magerder is dan ik, en waarom het geluid van schapen lijkt op uitlachen. Bovenal realiseerde ik me dat schaapjes tellen om in slaap te komen nooit meer hetzelfde zou zijn.

www.deeltijdschrijver.nl

Puber

Ondanks twee lagen gewapend beton als filter tussen ons in, daalden de seksueel en blasfemisch getinte opmerkingen kraakhelder op ons neer. Zoon had wat games via internet aangeschaft en was de boel aan het downloaden. Om het proces te bespoedigen, spoorde hij zijn computer aan met jargon dat ik, toen ik zijn leeftijd had, alleen kende uit boekjes in vier talen met afbeeldingen die aan duidelijkheid niets te raden over lieten en die ik in het diepste geheim onder de dekens bekeek. Ik haalde het niet in mijn hoofd om het bedoelde taalgebruik hardop te bezigen. Dat deed je gewoon niet. Door games als het hierboven genoemde Grand Theft Auto, hebben de voorheen louter erotisch bedoelde termen als Fokking, Bitch en Slut, hun weg van de ouderlijke sponde naar de tiener-, en puberslaapkamer gevonden. En daarmee is de erotische glans er ook meteen een beetje af. Ik vroeg hem naar de redenen van zijn onmin. ‘Jonge,’ zei hij, ‘dat internet is niet vooruit te branden.’ Ik kreeg een verhandeling over mbits per seconde, over routers, bedrade en draadloze verbindingen en over splitters en signaalversterkers. Het samenstel van alle ingrediënten zou het downloaden en stuk sneller, en het leven een stuk mooier maken. Hij ging weer naar boven. De Weerpiet (Paulusma) stuurde aan op 27 graden en een onbewolkte dag, maar er moest gedownload worden. Ik liet het wel link uit mijn hoofd om zoon te informeren over de standaard in 1976, toen ik net zo oud was als hij nu is. Toen liepen we in de weilanden, vingen salamanders, lagen op onze ruggen in het hoge gras met een spriet in de mondhoek, en keken naar de altocumulus. Zijn vrienden en hij vangen trojans, lopen virtueel in Los Santos en kijken alleen nog in de cloud. Alles moet van achter zijn computer te doen kunnen zijn en die voorwaarde wordt in de vakantie alleen maar dwingender. Zoon werkt zich dan bij voorkeur horizontaal door het leven, behalve als hij naar bed moet. Als we hem uit ongerustheid vragen of hij wel een leuke vakantie heeft, dan kan het niet beter. Hij heeft zich ten doel gesteld om voor zijn twintigste levensjaar tenminste 90 procent van de Youtube-filmpjes te hebben bekeken en daarbij ligt hij inmiddels voor op schema. Toen het einde van de vakantie naderde, hebben we hem voor de keuze gesteld: of de laatste vrije week langzaam toewerken naar normale wektijden, of de eerste schooldag cold-turkey om zeven uur zijn bed omkieperen. Hij koos voor het eerste. De laatste week van de vakantie heeft hij serieus gebruikt om zijn eerste stapjes weer te zetten en na drie dagen kon hij zich weer zelfstandig verplaatsen. Nu alles weer goed lijkt te komen, openbaart zich alweer de volgende hindernis. Volgende week vertrekt hij met zijn klas voor een kleine week naar het zuiden van Frankrijk. Er is een prachtig programma opgesteld en… er is geen wifi. Zes dagen lang niet eens langzaam internet. Nee, helemaal niks. Nada. Jammer dat ik niet mee mag. Ik had graag willen zien hoe hij zich door die onmenselijke beproeving zal slaan.
www.deeltijdschrijver.nl

vrijdag 6 maart 2015

Onwil


De man tegenover me keek weg. Bij het verwerken van de zojuist gehoorde mededeling kon hij de indringende blik van de boodschapper niet gebruiken. Hij murmelde een zin die gezien het gehanteerde volume niet voor mij was bestemd, maar waaruit desondanks een ferme krachtterm viel op te maken. Hij bracht zijn rechterhand naar zijn mond, stak er twee vingers in en floot. Tegelijkertijd gebaarde hij met zijn linkerhand naar twee collega’s die even verderop op het schuine dak vanaf de dakkapel en hoger, de pannen aan het leggen waren. De man had zich zojuist aan mij voorgesteld als Arie. De achternaam was nog net iets teveel gevraagd, maar daar kwamen we straks wel uit. Hij riep naar zijn collega’s dat ze moesten komen, maar het bevel smoorde in de pogingen van Jan Smit om via de radio van een cirkelzaagmerk de steigerbouwers aan de overkant van de straat tot wanhoop te drijven. In een tegenoffensief stuurden die op hetzelfde volume iets van Deep Purple onze kant op. Eén van de twee collega’s van Arie doorzag het oorzakelijk verband en liep naar de radio om hem tot stilte te dwingen. Daarna vroeg hij Arie via onbeholpen gesticulatie het zojuist gesprokene te herhalen.

‘Komen! Nu!’ schreeuwde die, gevolgd door een nadere uitleg: ‘Arbo!’ Dat laatste had effect. Twee mannen, de een wat langer dan gemiddeld, de ander met ruim embonpoint, voegden zich bij de eerste en ik maakte mij klaar om de draad weer op te pakken maar dat bleek onnodig. Arie nam de touwtjes in handen. Het werk is stilgelegd’ zei hij. ‘Valgevaar; we kunnen naar huis.’
‘Stilgelegd, valgevaar? Wat is dat nou weer voor onzin?’ vroeg de langere en wendde zich tot mij in de verwachting dat hij daar de oorzaak van de onzin kon vinden. Hij wees naar de werkvloer waar we op stonden. ‘Er staat toch een steiger?’ vroeg hij.
Ik vertelde waarom ondanks de steiger de werkzaamheden niet mochten voortgaan. Zo was de werkvloer een meter onder de dakgoot aangebracht en vond het werk op de onbeveiligde dakkapel plaats. Ik vertelde dat de bovenkant van de dakkapel zich tenminste anderhalve meter boven de dakgoot verhief en dat daarmee valgevaar was aangetoond. Een meter bij de anderhalve meter opgeteld is namelijk 2 meter 50. Bovendien was er bijzonder gevaar omdat de staanders van de steiger een halve meter boven de steigervloer uitstaken. Goed om je ongelukkig te vallen. Om niet over te komen als het betweterige ambtenaartje dat ik in de ogen van deze hardwerkende pannenleggers natuurlijk wel was, besloot ik de zojuist overtreden artikelen van het Arbobesluit onbenoemd te laten. Dat kwam wel als ik met de werkgever om tafel zou zitten.
‘Weet Nico het al?’ vroeg de gezette heer. Ik schudde van nee. Nico was de baas. Ik had al menig gesprek met hem gevoerd over risicobeoordeling, maar de wijze les was kennelijk nog steeds niet ter harte genomen. ‘Ik bel hem wel’ riep Arie en terwijl hij de telefoon pakte noteerde ik de personalia en een korte verklaring van zijn twee collega’s. Toen Arie zich weer bij ons voegde vroeg ik of de baas nog naar de bouw kwam, maar nee, hij was niet in de buurt. Dus liep ik, nadat ik ook de nog ontbrekende personalia van Arie had genoteerd, naar de auto, ging achter het stuur zitten en zag ineens een enorme wagen het terrein oprijden. Ondanks zijn rood aangelopen gelaat herkende ik Nico meteen. Kennelijk was hij dus wel in de buurt geweest, of had hij net ook nog een snelheidsovertreding op zijn naam gezet. Zijn boosheid hing als een aura om hem heen toen hij uitstapte en naar de steiger beende. Hij keek me aan zoals een slang kijkt naar het muisje dat hij binnen twee tellen zal verslinden, de twee collega’s van Arie werden in het voorbijgaan volstrekt genegeerd. Toen begon hij de steiger te beklimmen. Niet via de daarvoor bedoelde trappentoren, maar langs de buitenkant, gebruikmakend van de rozetten aan de staanders. Alsof hij daarmee wilde laten zien dat hij de enige was die wat te zeggen had over veiligheid. En hij had gelijk. De werkgever is daar inderdaad verantwoordelijk voor. Je moet het je medewerkers alleen wel op een andere manier uitleggen. Ik zag dat hij over de leuning van het tweede slag van de steiger klom en via de legale weg uit het zicht verdween. Mij in totale verbazing achter zich latend. Uren had ik eraan besteed om bij dit bedrijf het proces van verbetering te begeleiden. Het was paarlen voor de zwijnen gebleken; water naar de zee. En het was tijd voor het zoveelste boeterapport.

www.deeltijdschrijver.nl

dinsdag 3 maart 2015

Eeuwige piep

In de jaren ‘70, ‘80 en ‘90 was gehoorbeschadiging geen onderwerp van belang. De piep in je oren na een concert ging wel weer weg en rockmuziek onder de 110 dBA was het niet waard om een paar tientjes voor uit te geven. Dan kon je net zo goed een LP opzetten. Koptelefoons werden tot het uiterste gedreven en de speakers kregen geen kans te verstoffen, er was simpelweg geen gevaar. En dus stelde ik onbevangen en zonder besef van enig risico mijn oren vanaf eind jaren ‘70 bloot aan te hard geluid. Concerten van Satriani, Toto en TC Matic zijn voorbeelden van absurd volume. Ik stond vooraan, de broek resoneerde mee op de bas en bij elke stoot van de basdrum stierf mijn gehoor een beetje. Er was geen angst, de piep in de oren nadien verdween wel weer en ik hoorde jaren lang alles nog prima. Tot dat ineens niet meer zo was. Op een slechte dag, misschien vijftien jaar geleden, bleef de piep. En hij is er nog. Denk ik. Ik hoor het niet meer omdat er daarna nog een heleboel andere piepjes in een dissonant akkoordenschema aan zijn toegevoegd. Vanaf die dag leef ik met een ruis waarvan ik zeker weet dat die er altijd zal zijn. Ik ervaar het als vervelend en als het niet verergert is ermee te leven, maar anderen worden er gek van. Was er een paar weken geleden niet iemand in het nieuws die zich had gemeld bij de levenseindekliniek vanwege haar ondraaglijke lijden als gevolg van geluiden die ze constant hoorde? Zo erg kan het dus worden.

Gisteren kwam er tijdens RTL Late Night, kort, een item over gehoorverlies voorbij. De Wereldgezondheidsorganisatie had een rapport uitgebracht waarin het probleem van gehoorverlies in welvarende landen, onder meer door harde muziek, werd besproken. Naar schatting een miljard jonge mensen lopen het risico op gehoorverlies en daarom worden oordopjes aanbevolen. Aan tafel zat de Erben Wennemars van de electronische muziek, Ronald Molendijk. Een wild om zich heen gesticulerende plaatjes- en praatjesmaker wiens mening is ontdaan van enige basis maar die hij desondanks overal verkondigt. Ronald dacht er het volgende over: citaat[Het (red: rapport) is echt bullshit, het is een groot eng ding dat er hangt omdat ze willen dat het zo is. Ik ken heel veel popmuzikanten die er geen last van hebben]einde citaat. Bovendien wilde Ronald zelf uitmaken of hij doodging met een perfect gehoor of niet. De speakers konden aan het eind weer harder. Dat laatste begreep ik niet helemaal, maar ik denk dat hij daarmee bedoelde dat als de oren het begeven, de muziek lekker nog wat harder gezet kan worden. Ik wist niet wat ik hoorde door mijn hinderlijke ruisakkoordje heen. Natuurlijk kan ik Ronald wijzen op de verantwoordelijkheid die hij als bekende Nederlander zou moeten voelen voor de jeugd waarmee hij als DJ te maken heeft maar dat doe ik niet. Hij begrijpt het toch niet. Wel wens ik hem met ingang van morgen een eeuwige piep in zijn oren zodat hij het in het vervolg wel laat om zijn zieke meningen voor de nationale TV uit te dragen. En de gastheer? Umberto Tan die vreselijk moest lachen om de uitgesprokenheid van Ronald? Ja, Umberto natuurlijk ook.

www.deeltijdschrijver.nl

zondag 21 december 2014

U

Soms komt u er niet uit. U ziet het woord geschreven staan, maar u heeft geen idee hoe het klinkt, hoe u het moet uitspreken. Althans op het eerste gezicht. Nadere studie brengt dikwijls de oplossing. Zo bedacht mijn grote vriend Herman Brusselmans een alternatief voor het woord oprotten dat zelfs een editie van de Van Dale heeft gehaald. Zandzeepsodemineraalwatersteenstralen. Aanvankelijk tast u volstrekt in het duister maar na een minuut kunt u het uitspreken. En dat doet u vervolgens een paar keer want u vindt het leuk. Weer wat geleerd. Of Splanchnocranium (aangezichtsschedel), eerst even kijken, dan pas uitspreken. U komt er wel uit, het duurt alleen even wat langer. Consciëntieus is er ook zo een, maar die is inmiddels zo bekend vanwege de diverse dictees dat de uitspraak ervan bekend mag worden verondersteld. De lengte van de woorden en de manier waarop letters elkaar opvolgen zijn er dikwijls de oorzaak van dat woorden moeilijk zijn uit te spreken. Helaas heeft onze moderne dwang tot vluchtige en inhoudsloze contacten gezorgd voor een droevige uitzondering: U. Het kortste woordje in onze taal, technisch perfect uit te spreken en dat qua inhoud niets te raden over laat. Het woordje dat het verschil maakt tussen ongepast en voorkomend is in staat van ontbinding. De moderne mens krijgt het simpelweg de strot niet meer uit en eigenlijk is dat een vreemde constatering. Elke keer als ik op het nieuws het resultaat aanschouw van agressie en geweld in Nederland, verschijnen er jonge mensen die via het journaille laten weten dat er geen respect meer is. Tja, waar begint respect? Ben ik de enige die die vraag stelt? Het begint in ieder geval niet bij Maria Montessori en Rudolf Steiner. Niet op scholen waar de meester Jan heet en de directeur Ellie. Laten we eens beginnen om elkaar daar waar het gepast is weer U te noemen. Op het moment dat dat werd losgelaten en de kinderen de vinger kregen en de hand namen, ging het mis. Er zijn namelijk kinderen die een dergelijke vrijheid anders interpreteren dan wij willen en zonder dat we het in de gaten hebben steeds een stapje verder gaan. Steeds een stukje terrein winnen tot ze niet meer teruggehaald kunnen worden. Ik wil geen fatsoensrakker zijn die gezag en hoogachting terug wil, maar ik zie het misgaan. Het verbod op de corrigerende tik is door ouders en onderwijs vertaald in een verbod op correctie. Waarschijnlijk weet niemand in Nederland de achternaam van Mees Kees. Het is volstrekt geaccepteerd. Maar niet door mij. Ik vind dat iedereen moet worden geleerd dat er een moment bestaat waarop Je U wordt. Conservatief wellicht, maar het houdt de verhoudingen helder en het is de kiem van respect en waardering. Het lijkt me daarom tijd om U een goede kerst en een verstandig en achtenswaardig 2015 te wensen.

www.deeltijdschrijver.nl



donderdag 12 juni 2014

Voor schut

Ik was vroeger schutter. Ik vertel het meteen, dan hebben we het maar gehad. Even lachen, even hoon, ironie en sarcasme en dan weer snel door. De schutterij; militarisme voor dummy’s. Een club burgers die hielp met het voeren van oorlog. Begin negentiende eeuw schoten ze, liepen ze de wacht, bliezen de boel op en bliezen ter begeleiding een vrolijk deuntje in tweekwartsmaat. Door de jaren heen werd, om redenen die ik niet heb willen achterhalen, de verdedigingstaak afgebouwd en werd er alleen nog muziek gemaakt. De uniformen naar een ontwerp uit 1815 mochten ze houden en precies zo’n pakje kreeg ik in 1977 uitgereikt. Een jongen in de groei, puber, adorant van Queen; emotioneel nog verre van volledig, en ik kreeg een uniform van de schutterij aangepast. Een zwart pak met pailletten, een tupperware bak op de hersenen om elk vermoeden van intelligentie te bedekken, en daar dan weer een pluim op. Death on two legs terwijl Jan Lul marcheerde met een fluit aan zijn muil en een pluim op zijn scalp. Fluit? Jazeker, om de gesel te completeren liep ik niet met de grote trom, een schallende trompet of een pompende tuba. Nee, ik blies de dwarsfluit. Ik was jong in een tijd dat ouders nog beslissingen namen over wat goed en wat slecht was voor hun kinderen. Soms hadden ze het mis. Vandaar de fluit. De schutterij kwam in beeld toen er een instrument moest komen; in ruil voor nieuwe aanwas werd een dwarsfluit geleverd. En dus verruilde ik mijn ziel en beschikbaarheid voor een muziekinstrument. De crossroads in oorlogstenue. Na een jaar van muzikaal golgotha en levensbedreigend samenspel besloot ik eens op onderzoek uit te gaan. De schutterij kon toch geen serieus bedoelde club zijn? Al snel begreep ik dat er twee betekenissen waren van het woord schutteren: 1. dienst doen als schutter 2. onhandig of onbeholpen te werk gaan. De algemene aanname is altijd geweest dat het woord schutterij is afgeleid van betekenis 1. De schutterij waar ik mijn trouw aan had verbonden was etymologisch echter naadloos te linken aan betekenis 2. In mijn schutterij was de functie van dirigent teruggebracht tot aftikker, en de aftikker die zijn taken serieus nam stampte met zijn voet in een ijdele poging het hele korps, of tenminste een groot deel ervan, het einde van het muziekstuk, in de meeste gevallen een mars, min of meer gelijktijdig te laten bereiken. Mijn schutterij was verdeeld in drie groepen. De eerste bestond uit de mannen die nooit oefenden omdat ze elke mars konden dromen en geen boodschap hadden aan het feit dat muziek normaliter met meerdere mensen wordt gemaakt, de tweede groep oefende nooit omdat ze het niet waard vonden hun kostbare tijd te geven aan een dergelijk orkest en de derde groep oefende niet. Als de dirigent aftikte, dan begon er een soort race. Groep 1 wilde laten zien dat de stof werd beheerst en dat een mars helemaal niet lang hoefde te duren. Groep 2 probeerde groep 1 tevergeefs bij te houden en groep 3 hield het instrument op schoot omdat de nederlaag van het begin af aan vastlag. Elke dinsdag was ik als deelnemer van groep 2 de verdrietige getuige van deze repetities; maar ja, ze waren nodig om een keer per jaar een concert te geven in de Doele en een paar keer op te draven voor publieke optredens op straat. De keer die voor mij de beleving van muziek voorgoed heeft veranderd begon bij de sportvelden. De tambour-maître gooide zijn stok in de lucht en we begonnen te marcheren. Er hoefde nog niet te worden gefloten, de trommelaars mochten eerst. In de Snekerstraat begonnen we aan de eerste mars, gevolgd door andermaal de trommelaars. Tijdens dit intermezzo begonnen de problemen. De afspraak was om als tweede stuk de Artilleriemars te spelen. Aan het begin van het trommelintermezzo kregen we echter het bericht door dat het toch de Huzarenmars moest worden. Iedereen moest het bericht aan degene achter zich doorgeven, maar ik merkte dat het bericht ergens halverwege bleef steken. De stok ging omhoog en op het Skilwijk begonnen ze. Ik hield de dwarsfluit wijselijk voor me, wetend wat er stond te gebeuren. Het moment dat volgde heb ik verdrongen. Lange tijd heb ik geprobeerd om mijn gevoel van dat moment te reproduceren maar het lukte niet. De gebeurtenis was simpelweg te traumatisch. In ieder geval kon ik er toen niet om lachen. Decennia later werd de slapstick echter een succesnummer op verjaardagsfeestjes. Vooral het feit dat de schutters na afloop alleen dachten dat ze een beetje uit de maat waren oogste vanaf dat moment meteen veel bijval. Mijn liefde voor muziek had echter een gevoelige tik gekregen en ik verliet het korps. Voor schut staan deed ik in het vervolg het liefste nooit meer bij de schutterij.

www.deeltijdschrijver.nl