Munt

Ik zag hem al van verre en hij mij ook. Hij stond onder een viaduct en zijn vriendjes, dat had ik gezien, waren van hem weggelopen. Ik hoorde ze nog wel, maar ze waren uit zicht. Hij stond en keek naar me. Omdat het viaduct deel uitmaakte van mijn wandelroute, zou ik hem gaan passeren. Hem was in dit geval een jonge knaap van een jaar of acht, misschien zeven, misschien net negen, met laarzen aan; zijn vest was bemodderd en zat scheef, zijn broek was enigszins afgezakt. Hij bleef me aankijken. ‘Meneer...’ zei hij toen ik hem op een paar meter was genaderd. Ik verwachtte een vervolg maar er kwam niets. In plaats van een vraag of een opmerking stak hij met moeite een hand in zijn linker broekzak. Hij voelde in alle hoeken, maar kennelijk vond hij niet wat hij nodig had.

‘Ja?’ vroeg ik een beetje ongeduldig, ‘wat is er?’ Ik was enigszins ongemakkelijk met de situatie. De jongen zei niets. Mijn gedachten begonnen intussen een eigen weg in te slaan. Wat zou er uiteindelijk uit een broekzak van een jong kind tevoorschijn kunnen komen dat de moeite waard was om een wildvreemde man tegen te houden, zijn kostbare tijd te nemen zonder een echt gesprek aan te gaan, zonder een tipje van de sluier op te lichten en zonder enige zichtbare vorm van voorbereiding. De hand was inmiddels verplaatst naar de linker kontzak van dezelfde broek. Onwillekeurig dacht ik aan het meisje Spodjmai. Tien jaren jong en door haar broer voorzien van een bomgordel met de bedoeling haar op te offeren terwijl ze met haar actie zoveel mogelijk levens met zich mee moest nemen. Misschien had deze jonge knaap ook wel zoiets; zijn vriendjes waren niet voor niets weggelopen. Misschien was hij nu wel op zoek naar het trekkoord dat was verbonden met de ontsteking van iets gevaarlijks onder zijn vest en was hij vergeten in welke broekzak zijn broer, of vader, of oom het had gestopt. Ook in de linker kontzak zat niets. De rechter hand werd met veel moeite in de rechter broekzak gewurmd. Shit man, straks zou hij het koord vinden en ging ik, samen met de auto’s die op het viaduct reden, naar de verdoemenis. Ik overwoog door te lopen, maar dacht ineens dat ik niet zo over dit grappige jongetje mocht denken. Misschien had hij gewoon een mes waarmee hij me zou bedreigen terwijl de andere kinderen er ineens weer waren om mijn portemonnee te pikken. Moest ik echt bang worden?

Ineens kwam zijn hand weer uit de broekzak en verlichtte een mooie lach zijn gezicht. Hij hield een munt omhoog, zo eentje waarmee je een kar van de supermarkt kunt pakken zonder geld kwijt te zijn.
‘Wilt u deze kopen voor een euro?’ vroeg hij.
Ik schoot in de lach, weer ongemakkelijk, maar ook schuldbewust. Schuld omdat mijn gedachten zich hadden geconformeerd aan het gedachtengoed dat ik verafschuw, en mezelf bewust van de wereld waarin zulke gedachten zelfs maar mogelijk zijn. Jongen, ik weet niet hoe je heet en waar je woont, maar ik heb heel wat van je geleerd.


www.rubenkorfmaker.nl

Reacties

  1. Prachtig verhaal, zo denk ik ook stiekem wel eens als ik alleen ben en iets geks tegenkom.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie plaatsen

Populaire berichten van deze blog

Raft

Bezet

Peuk